Categorieën
Arbeidsrecht

Rechtsgeldigheid van concurrentiebeding (Arbeidsrecht)

Een concurrentiebeding, of beter: non-concurrentiebeding, in een tijdelijk contract is aan strikte voorwaarden gebonden. In een uitspraak van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch staat zo’n beding centraal.

Beding in contract voor bepaalde tijd

De werknemer is per 1 juni 2016 voor bepaalde tijd in dienst getreden en de arbeidsovereenkomst is later verlengd tot 1 september 2017. In beide overeenkomsten is een geheimhoudingsbeding, een relatiebeding, een non-concurrentiebeding en een boetebeding opgenomen. De werknemer heeft per 1 juli 2017 opgezegd om elders in dienst te treden. Daarmee overtreedt hij volgens de werkgever het non-concurrentiebeding en het relatiebeding.

De werknemer heeft in kort geding de kantonrechter verzocht om beide bedingen en het boetebeding te schorsen, zodat hij voor zijn nieuwe werkgever werkzaamheden kan (gaan) verrichten. De kantonrechter heeft het concurrentiebeding en relatiebeding geschorst. Tegen dit oordeel heeft werkgever beroep ingesteld.

Regeling in Burgerlijk Wetboek

Voor concurrentie- en relatiebedingen geldt dat deze alleen kunnen worden opgenomen in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, indien uit de bij deze bedingen opgenomen schriftelijke motivering van de werkgever blijkt dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen (art. 7:653 lid 2 BW).

Hof: geen zwaarwegend belang

In de arbeidsovereenkomst is een schriftelijke motivering opgenomen, maar partijen verschillen van mening over de vraag of de noodzaak daaruit blijkt. De noodzaak moet ook nog bestaan op het moment dat de werkgever zich op het beding beroept.

De vraag of bij het aangaan van de overeenkomst zwaarwegende belangen bestaan en of die nu nog steeds bestaan kan in de onderhavige procedure niet worden beantwoord. Het is aan de bodemrechter om dat vast te stellen. Daarbij is het uitgangspunt dat de bedingen nietig zijn wanneer de werkgever die zich op die bedingen wil beroepen, niet stelt en zo nodig bewijst dat deze belangen zowel bij het aangaan van de overeenkomst als ten tijde van het beroep op de bedingen bestaan. In het onderhavige kort geding heeft de werkgever dat wel gesteld, maar de werknemer heeft dit gemotiveerd – aan de hand van tal van feiten en omstandigheden – betwist.

Beding daarom niet rechtsgeldig

Of werkgever in bodemprocedure in staat is om aan te tonen dat vanuit zwaarwegende belangen de noodzaak bestond om een relatiebeding en een non-concurrentiebeding overeen te komen, laat zich naar het oordeel van het hof op dit moment niet met een zodanige mate van zekerheid vaststellen dat nu reeds kan worden geoordeeld dat deze bedingen rechtsgeldig zijn overeengekomen en dat werknemer gehouden is deze bedingen na te komen.

Ook afweging van belangen

Voor zover binnen het kader van dit kort geding nog ruimte zou zijn voor een afweging van de betrokken belangen kan het hof ook niet tot het oordeel komen dat de belangen van werkgever dermate zwaar wegen dat haar beroep op de bedingen moet worden gehonoreerd.

Daarbij speelt een rol dat werkgever niet voldoende concreet heeft gesteld dat zij door de indiensttreding van werknemer bij de nieuwe werkgever daadwerkelijk schade heeft geleden of zal lijden, terwijl in voldoende mate vast staat dat werknemer een financieel belang heeft bij de overstap. Dat belang is mede ingegeven door de door werkgever niet betwiste onduidelijkheid die zij tegenover werknemer heeft laten bestaan over de verlenging van zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.