Relatiebinding nietig vanwege ontbreken schriftelijke motivering (Arbeidsrecht)

Een relatie- of concurrentiebeding is voor veel werkgevers belangrijk. Op die manier wordt voorkomen dat een werknemer na ontslag in dienst treedt bij een concurrent, met medeneming van soms veel informatie. Daarom is voorzichtigheid bij het opstellen van zo’n beding geboden. Het gaat niet altijd goed.

Van tijdelijk naar vast contract

Een werknemer tekent in maart 2017 een contract voor bepaalde tijd. Daarin is een relatiebeding opgenomen, waarin staat dat hij niet mag gaan werken voor cliënten van zijn huidige werkgever. Het tijdelijke contract wordt in augustus 2017 omgezet naar een vast contract. In juni 2019 treedt de werknemer uit dienst en gaat hij werken voor een relatie van zijn oude werkgever. Mag dat zomaar?

Lees ook: Rechtsgeldigheid van concurrentiebeding

Oude werkgever eist verbod

In kort geding eist de oude werkgever dat de man wordt verboden om te werken voor bedrijven die cliënt zijn of waren van de werkgever. Anders moet hij een forse boete betalen. De rechter oordeelt als volgt.

Eerste beding nietig

Vaststaat dat het in de eerste arbeidsovereenkomst opgenomen beding niet een schriftelijke motivering bevat. Dat is wettelijk wel verplicht. Daaruit moet blijken dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Door dit manco is het relatiebeding nietig. Partijen zijn het hierover ook eens. De vraag die partijen verdeeld houdt is of op een later moment alsnog een rechtsgeldig relatiebeding is overeengekomen.

Lees ook: Concurrentiebeding en proeftijd

Verlenging maakt dat niet rechtsgeldig

De kantonrechter is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Het eerste beding heeft in feite niet bestaan. De verlenging van de arbeidsovereenkomst (voor onbepaalde tijd) onder dezelfde voorwaarden, zonder daarbij expliciet het relatiebeding overeen te komen, kan er naar het oordeel van de kantonrechter niet toe leiden dat het nietige relatiebeding alsnog rechtsgeldig wordt. Het relatiebeding moet in dit geval opnieuw schriftelijk worden overeengekomen. Maar dat is niet gebeurd.

‘Voor ontvangst’ is onvoldoende

Bij de verlenging in augustus 2017 is wel verwezen naar de arbeidsvoorwaarden. Dat baat de oude werkgever niet. De voorwaarden waren toen niet bijgevoegd. Ook heeft de werknemer toen alleen ‘voor ontvangst’ getekend en niet ‘voor akkoord’. Uit het voorgaande volgt dat aan het schriftelijkheidsvereiste als bedoeld in artikel 7:653 lid 1 BW is dus niet voldaan. Dit betekent dat tussen partijen geen rechtsgeldig relatiebeding is overeengekomen. Het verzochte verbod aan gedaagde is daarom niet toewijsbaar. 

Bron: ECLI:NL:RBROT:2019:7820